Lex was moe na een doorwaakte nacht. Maar zijn geest werkte nog
helder. De constateringen van Benja waren geruststellend. Dat wilde
zeggen: het verlichtte zijn onrust enigszins. Want hij werd met het uur
onrustiger. Zijn overtuiging dat de deal van vannacht goed en solide
was, brokkelde af. Ze waren nu alle kinderen kwijt en wat stond daar
eigenlijk tegenover? Vage beloften. Niets concreet. Niets helder. Hun
vier vrienden, die nog met een paar onderwijzers in het schoolgebouw
bivakkeerden, hadden weinig nut meer. Hij en de andere acht in deze
trein zouden het nu moeten waarmaken. Maar ze waren op dit
moment, tóch weer, in het defensief. Aan het lijntje van de slinkse
mooipraters en een verraderlijke regering. Ondanks dat hij vanaf het
begin vastbesloten was geweest het initiatief niet uit handen te
geven.
Toen Van der Sar aan de lijn kwam, dat duurde al opmerkelijk lang,
klonk hij terughoudend.
“Nee, er zijn geen nieuwe ontwikkelingen te melden, meneer Rehail.
Alles verloopt volgens procedure.”
“Procedure? Wat is dat voor schimmige taal? We hebben vannacht
harde afspraken gemaakt, Van der Sar. Wij hebben alle kinderen de
vrijheid teruggegeven tegen een vrijgeleide voor ons.”
“Dat is zo. De regering is er hard mee bezig. Maar daar moet heel wat
voor geregeld worden. Een bus volgens uw eisen. Bemanning.
Datzelfde is voor een vliegtuig nog veel complexer.”
“Vandaag. De vrije aftocht is vandaag.”
“Ik kan daarover niets garanderen”, protesteerde Van der Sar. “Als
alles…..”
“Vandaag! Ik vertel de passagiers straks dat vanmiddag tussen drie en
zes uur een bus arriveert waarmee wij naar Eelde gaan.”
“Dat kunt u ze niet beloven.”
“O ja. U zorgt daarvoor. Het is nu acht uur; u hebt nog minstens
zeven uur tijd. Dat lukt makkelijk.”
Het bleef een paar seconden stil. “Meneer Rehail”, zei de psychiater
ernstig, “we hebben tot dusver in vele gesprekken open en eerlijk
onderhandeld. Dat hadden we ook afgesproken. Als u nu op een
oneerlijke wijze de zaken onder druk wilt zetten, ondanks wederzijdse
afspraken, begint mijn respect voor u te tanen.”
Dit keer had Lex voorafgaand aan het telefoongesprek de coupédeuren
afgesloten. Alleen Esther en Chris stonden om hem heen en
probeerden aandachtig het gesprek te volgen. Ze schokten op bij de
uitval die nu volgde. Lex uitte een paar krachttermen en
schreeuwde:
“Oneerlijk, zei je? Weet je hoe vaak ons volk al oneerlijk behandeld is,
meneer respectvol? Toen de vervloekte Indonesiërs ons van onze
onafhankelijkheid beroofden, laadden jullie ons als beesten op en
dumpten die lastige Molukkers maar in Nederland. Met de zoethouder
dat we snel weer terug zouden kunnen naar een vrije republiek.
Vijfentwintig jaar geleden, man! Hoewel we jullie eeuwen lang loyaal
gediend hebben, zijn we als paria’s in kampen gestopt. Praat me niet
over respect en eerlijkheid! En nu zorg jij ervoor dat er vanmiddag
een bus gereed staat en de aftocht zónder valstrikken verloopt. Anders
betalen de passagiers hier opnieuw het gelag. Tempo!”
Hij smeet de hoorn op de haak.