Een blik op zijn horloge zei agent Ruud Lammers dat het 10.45 uur
was. Een heerlijk frisse meiochtend in een stralende zon. Hij drentelde
wat heen en weer achter de stalen dranghekken die de toegang tot de
school versperden. Voor de derde keer deze week bracht hij een deel
van de dag hier door als een soort bewaker. Regelmatig een gesprek
voerend met dodelijk ongeruste en wanhopige ouders. Ze verzamelden
zich veelal op dit punt, omdat hiervandaan iets van de school te zien
was. Hij luisterde zo begripvol mogelijk naar hun spanningen, hun
angsten en woede. Vaders braakten hier hun meest grove verwensingen
uit aan het adres van de Molukkers. Vertrouwden hem zonder géne
toe dat ze als wraak hun donkere plaatsgenoten belden en hen de
vreselijkste bedreigingen toeslingerden als hun kinderen iets zou
overkomen. Moeders scholden even hard; zochten steun bij hem en
bij elkaar. Allemaal hingen ze eigenlijk doelloos rond, hun blik op het
schoolgebouw gericht. Hij luisterde, draaide mee met de vele sigaretten
die tussen trillende vingers opgestoken werden en wees tegelijkertijd
iedereen resoluut terug die verder dan de hekken wilde gaan.
Er kwam geluid uit de richting van de school. Scharnieren knarsten.
Behoedzaam draaide Lammers zich om, op elke situatie voorbereid.
De ramen gingen open: zeker dringend frisse lucht nodig. Toen
klonken, als in een machtig koor, meer dan honderd kinderstemmen
bijeen. Minutenlang.
“Van Agt, wij willen leven!”
“Van Agt, wij willen leven!”
“Van Agt, wij willen leven!”
De schrille, hoge kinderstemmen bereikten ook de ouders en er ging
een afschuwwekkend gekrijs op. Moeders gilden van angst. Mannen
hielden zich opeens totaal niet meer in de hand. De dranghekken
werden tegen de grond getrapt en vloekend stormden enkele vaders
naar voren, terwijl anderen als vastgenageld bleven staan.
“Stop! Stop!”, schreeuwde Lammers. Hij stelde zich midden op de
straat breeduit op. “Bega geen onbezonnen gekheid!”
“Gekheid zei je, smeris?” Met een vertrokken gezicht balde een man
twee vuisten onder zijn neus. “Jij hebt niet twee kinderen in handen
van die moordenaars zeker? Opzij, zeg ik je! We gaan die lui met
eigen handen de nek omdraaien!”
De agent zag geen kans meer de in paniek geraakte menigte te
beheersen en sprak vlug in de portofoon.
Dit was precies waar Van Herkingen en de anderen bang voor waren,
en het toenemende gebrul van buiten bevestigde hun sombere
verwachtingen. De kapers werden ook onrustig. “Naar de ramen!”,
beval Monapi de drie anderen. “Als ze ons gaan aanvallen, schiet je ze
neer. Snel.” Zelf lichtte hij een handgranaat van zijn riem.
“Nee!”, riep het schoolhoofd. Op een bank lag de megafoon die de
bezetters meegebracht hadden. Zonder hun toestemming rende hij
naar een raam en scheurde een stuk krant weg.
“Dit is Van Herkingen! Trekt u zich alstublieft direct terug! Ter wille
van uw kinderen, luister naar mij!”
Een diep, nog wanhopiger gebrul steeg van buiten op. Het zweet
gutste Lammers over het gezicht en met grote moeite dreef hij
schreeuwend de huilende, vloekende en volkomen onbeheersbare
dorpsgenoten terug. Een dergelijke traumatische krankzinnigheid
in enkele minuten tijd, had hij in de verste verte nog nooit
meegemaakt.