“Ik ben Lex Rehail”, zei de tengere kaper, terwijl hij weer in de deuropening stond. “Ik spreek namens mijn vrienden hier en namens alle Zuidmolukse jongeren. Wij hoeven u niet uit te leggen wie we zijn en waarom we dit doen. Ik neem aan dat u onze rechtvaardige verlangens kent. Uw regering heeft ons tot dusver altijd bedrogen en daarom zit ú nu hier. Als resultaat van dat mislukte beleid. Eén van de vrijgelatenen heeft onze brief met eisen mee. Als uw regering meewerkt, bent u spoedig vrij. Zo niet, dan zijn de consequenties voor hen. Als u kalm blijft, overkomt u niets. Maar wie de held wil zijn, wordt neergeschoten, denk daar goed aan. Geen ontsnapping of uitbraak. Voor elke vluchteling schieten we er twee dood.”
Er hing een angstige stilte in de coupé. Op rustiger toon ging de aanvoerder verder: “wij delen nu kranten en plakband uit. Alle ramen worden afgeplakt.”
“Meneer.” Heel aarzelend ging een hand de lucht in. Vier geweerlopen draaiden in de richting van de vrager, die bijna stikte van de zenuwen.
“Wat is er?”
“Mogen er raampjes open? Het is hier zó heet.”
De meizon brandde ongenadig op het stilstaande ijzer en maakte de trein langzaamaan kokend.
“Een klein stukje. We plakken de bovenraampjes niet af.”
Er woei een lichte bries door de kleine gaten, maar de passagiers mochten niet opstaan. Zodoende voelden ze nog niet veel verkoeling. De kapers duwden spullen in hun handen en lieten nu sommigen overeind komen.
“Als u naar het toilet moet, kan dat. Eérst vragen. Nogmaals: volg onze instructies duidelijk op en onthoud u van verdachte bewegingen. U bent in onze macht.”
Jacob Stam stak als eerste zijn vinger op. Hij stond zowat op springen.